En Hij zei tot hen: ‘Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken’.
Zij nu lieten terstond hun netten liggen en volgden Hem.
Mattheüs 4:19 en 20
Beste medebidders,
Een kenmerk van een visser is dat hij geen hengelaar is..Laatstgenoemde zit voor zijn ontspanning aan de waterkant op een stoeltje en (bvk genietend van een lekker zonnetje) hoopt hij dat in de loop van de middag er een flinke vis voorbij komt zwemmen en toehapt. Zo niet, dan niet getreurd, want op het einde van de middag 'toch lekker buiten geweest'. Deze -toegegeven- wat eenzijdige stereotypering is nadrukkelijk niét wat de Here Jezus tegenover Petrus en Andreas bedoelt. Het was voor de broers direct kraakhelder dat het hier hoe dan ook om een zware taak zou gaan. Want hoe leefden zij als vissers? Zeer vroeg opstaan, vaak in de nacht werken, ijverig speuren en zoeken op de uit ervaring juiste stekken, de juiste techniek hanteren, over goede hulpmiddelen beschikken (zoals netten), veel tegenslag verdragen, weersinvloeden, volstrekt afhankelijk zijn voor je karige levensonderhoud van de opbrengst en een veel van jezelf eisende instelling er op na houden, met vooral veel volharding en geduld. En last but not least: afhankelijk zijn van Gods zegen...Zo leefden zij..
Petrus en Andreas wisten direct dat het allesbehalve gemakkelijk zou zijn dat wat de Grote Visser op Zijn beurt nu aan hen (en aan ons-!-) vroeg. Toch behoort dàt bij volgelingschap, mensenvisser zijn... Zo ook de broers; ze volgden Hem dan ook per direct.
met vriendelijke groeten,
Piet T.